Niemand kan jou beter uitleggen hoe het is om bij Sterk Huis hulp te krijgen dan onze cliënten. Wat je precies meemaakt als je te maken hebt met de complexe problemen waarvoor je bij Sterk Huis terecht kunt, kunnen andere zich moeilijk voorstellen. De ervaringsdeskundigen op deze pagina begrijpen wat je doormaakt. Je staat er niet alleen voor.

Pleegzorg

Mel (23)

“Mijn moeder hoort gewoon in mijn leven”

“In de jaren ’70 vluchtte mijn moeder uit Oeganda naar Nederland, toen dictator Idi Amin daar aan de macht kwam. Idi Amin wilde de welvarende Indiase bevolking uit Oeganda verjagen. Mijn moeder is half Aziatisch en toentertijd kregen de Aziaten in Oeganda de schuld van de economische crisis. Hierdoor was mijn moeder genoodzaakt te vluchten.

In Nederland kreeg mijn moeder een relatie met mijn biologische vader en raakte ze zwanger van hem. Hem heb ik nooit gekend. Ik was drie jaar toen ik bij mijn pleegouders Marjan en Theo werd geplaatst

Mijn moeder houdt enorm veel van me en ik van haar, maar het was voor haar te moeilijk om voor mij te zorgen. Ze heeft altijd onder bewindvoering gestaan en ze wordt nog steeds begeleid door maatschappelijk werk. Toen ik drie jaar was, is er een regeling met Jeugdzorg getroffen dat mijn moeder me elke week mocht bellen. Dat heeft ze al die jaren elke woensdagavond stipt om zeven uur gedaan. Verder ben ik haar heel die tijd om de week blijven zien. Nu kan dat even niet vanwege mijn stage in Israël, maar in december komt ze mij hier opzoeken!

Ik heb heel goed contact met mijn pleegouders. Ik kan altijd bij hen terecht. Hun zoon Guust is drie jaar ouder dan ik. Onze relatie voelt echt als broer en zus. Marjan en Theo zijn mijn ouders en ik heb er een tweede moeder bij. Mijn moeder komt altijd op mijn verjaardagen bij ons in het gezin. Ook nu ik in Israël ben, nodigt ze Marjan en Theo uit voor haar eigen verjaardag. Mijn pleegouders vinden het contact met haar heel belangrijk. Mijn moeder hoort gewoon in mijn leven.

Als kind vond ik het soms lastig dat ik geen andere pleegkinderen kende. Gelukkig had ik een penvriendin die ook in een pleeggezin woonde. Toen ik ouder werd, was het soms moeilijk met mijn moeder omdat ze over mij wilde ‘moederen’, terwijl ik in een aantal opzichten verder was dan zij. Daarom wilde ik een tijdje niet bij haar op bezoek. Toch bleven Marjan en Theo het contact met mijn moeder stimuleren. Daar ben ik hen nu heel dankbaar voor.

Mijn schooltijd heeft lang geduurd. Na groep 5 ging ik naar het speciaal onderwijs, omdat ik dyscalculie heb. Daarna heb ik ‘gestapeld’ , via het vmbo-tl naar het mbo, dat ik met hoge cijfers heb afgesloten. Op mijn zestiende deed ik een maatschappelijke stage bij Kompaan en De Bocht. Daar werkte ik mee aan trainingsavonden voor aspirant-pleegouders. Ik vond het fijn om daar mijn ervaringen te kunnen delen.

Nu studeer ik Social Work aan de hogeschool Rotterdam, via het Honoursprogramma (een verzwaard hbo+ traject). Voor mijn studie heb ik in Oeganda stage gelopen en daar heb ik met straatkinderen gewerkt. Daarnaast heb ik vrijwilligerswerk in Zuid-India en Kenia gedaan, waar ik ook met straatkinderen werkte. Vanaf augustus tot en met december dit jaar loop ik stage bij een vluchtelingenorganisatie in Israël. Daar doe ik onderzoek naar het asielbeleid en ik schrijf publicaties over vluchtelingen uit Eritrea en Zuid-Soedan in Israël. Dat is een kwetsbare groep die vaak wordt vergeten. Als ik terugkom uit Israël, ga ik stagelopen in het wijkteam in Rotterdam- Zuid, als gezinscoach. Na mijn hbo- studie wil ik graag nog een master in Human Rights gaan volgen.

Ik wil de wereld een stukje beter maken. Het had voor mij heel anders kunnen lopen als ik niet bij Marjan en Theo was terechtgekomen. Met mijn moeder ben ik meermalen in Oeganda geweest en als ik daar ben, realiseer ik me weer des te meer hoeveel kansen ik in Nederland heb. Ik ben ambitieus en wil wat kunnen betekenen voor mensen die het minder goed hebben getroffen. Van Marjan, Theo en mijn moeder heb ik altijd geleerd om niet alleen aan mezelf te denken, maar juist ook aan anderen.”

Auteur: Lindy Popma
Citaat Lindy: “Ik ben onder de indruk van de manier waarop haar moeder en haar pleegouders hebben samengewerkt aan de vorming van Mel tot een mooie, krachtige vrouw die zich inzet voor kwetsbare mensen.”

hart

Supergewone mensen gezocht

Voor Petra en Geert is hun pleegzoon gewoon ‘onze Wesley’

Het is de Week van de Pleegzorg, midden in de campagne ‘Supergewone Mensen Gezocht’.

Want pleegzorg betekent niet elke week naar een pretpark. En pleegouders zijn geen superhelden, maar heel gewone mensen die iets supers doen voor een kind: samen eten, een potje voetballen of helpen met je huiswerk. Daar zijn de Tilburgse pleegouders Petra en Geert en ‘onze Wesley’ het helemaal mee eens.

Na de geboorte van hun zoon, dertig jaar geleden, verloren Petra en Geert hun tweede én derde kindje. Hun droom van een groot gezin vervloog. De huisarts zette hen op het spoor van pleegzorg.  Ze hadden er direct een goed gevoel bij en in de jaren erna vonden meerdere kinderen een stabiel en veilig thuis bij het Tilburgse koppel. “Want dat is heel belangrijk”, legt Geert uit. “Deze kinderen komen vaak uit een chaotische situatie. Ze hebben vooral behoefte aan rust, structuur en duidelijkheid.” De inmiddels 22-jarige Wesley kwam als peuter van 14 maanden bij zijn pleegouders wonen. Dat herinnert hij zich natuurlijk niet, maar toch weet hij precies hoe het zat: “Mijn moeder kon de zorg voor mij en mijn vier jaar oudere broertje niet aan; als vijfjarige gaf hij mij de fles en verschoonde mij. We zijn toen beiden uit huis geplaatst. Om te voorkomen dat mijn broer voor mij zou blijven zorgen, gingen we allebei naar een ander gezin. We hebben gelukkig wel altijd contact gehouden.”

Altijd feest

“Eens in de maand ging ik naar mijn biologische moeder”, vertelt Wesley. “Dat was altijd feest. Dan gingen we de stad in, kreeg ik friet, cola en snoep. Ik hoefde niet op tijd naar bed. Logisch, zij wilde dat weekend zo gezellig mogelijk maken. En dat was het ook. Ik had dan wel een paar dagen nodig om thuis weer in het ritme te komen. Maar tegelijk wist ik dat die regels en zorg goed voor me waren. Bij mijn moeder had ik mij nooit op deze manier kunnen ontwikkelen, hoe goed ze het ook met ons voor heeft. Hoewel de band anders is dan in een normale situatie, is en blijft ze altijd mijn moeder.”

Achter het behang

Wesley kijkt terug op een heel normale jeugd, inclusief puberstreken: “Zo rond mijn 15ewas ik best erg, ik had overal een mening over en wilde die per se doorduwen. Als ik mijn gelijk niet kreeg, werd ik heel bokkig en kon ik dagen zwijgen.” Petra: “Dan kon ik hem wel achter het behang plakken!” En ja, toen dacht Wesley wel eens ‘ik ga terug naar mijn eigen moeder’. Net als Geert en Petra dan dachten ’gá ook maar’. Maar uiteindelijk gaat ook die periode weer voorbij. Petra: “Het hoort gewoon bij de leeftijd en het was ook ineens weer over. Niet anders dan bij je eigen kinderen.”

Over zijn pleegbroer, die inmiddels het huis uit is en waar het tweede kleinkind op komst is, vertelt Wesley: “Hij is altijd gewoon mijn grote broer geweest. Nog steeds krijg ik als hij thuiskomt een aai over mijn bol en zegt hij: ‘hé bruurke!’. Die aai, daar kon ik vroeger heel boos om worden”, lacht hij. Wesley wijst naar de foto aan de muur: “Kijk, we lijken zelfs een beetje op elkaar. Soms zeggen mensen: ‘je kunt wel zien dat jullie broers zijn’. Dat laten we dan gewoon zo. Prima toch?”

Nog lekker thuis

Veel mensen denken dat ze niet geschikt zijn als pleegouder, omdat ze bijvoorbeeld alleenstaand zijn of homoseksueel, een te drukke baan hebben of juist werkloos zijn. “Soms denken mensen dat het financieel niet haalbaar is om een kind erbij in huis te nemen”, weet Geert. “Maar dat is goed geregeld. Je krijgt een vergoeding voor de normale dagelijkse dingen, zoals eten en kleding. Verder worden bijzondere kosten voor bijvoorbeeld zorg en school vergoed.” Wesley vertelt dat hij na het vmbo de koksopleiding heeft gedaan bij de Rooi Pannen. “Daarna kreeg ik direct een baan en daar werk ik inmiddels alweer vier jaar.” Hij zou dan ook makkelijk op zichzelf kunnen gaan wonen. Maar nee hoor: “Ik zou niet weten waarom, ik heb het goed hier.”

hart

"Mijn tante gaf me zelfvertrouwen"

Kimberley (20) was 13 toen haar moeder overleed aan een herseninfarct. Kort daarna kreeg haar vader een hersentumor en hij stierf negen maanden later. ‘Het was een zenuwslopende tijd’, vertelt Kimberley in de huiskamer van haar tante Jannie en oom Arthur. ‘Ik zat in de tweede klas van de havo, maar er kwam niks van school terecht.

Ik zat diep in de put. In de zomervakantie ging ik een week bij mijn tante en oom logeren. Hier kwam ik tot rust. Mijn twee oudere broers wilden dat ik bij hen in huis bleef, maar zij konden me geen structuur en veiligheid bieden.’

In die periode ging het slecht met Kimberley. Haar tante en oom zeiden tegen elkaar: ‘We halen Kimberley op en laten haar nooit meer gaan.’ De twee broers waren het er niet mee eens. Na veel getouwtrek en rechtszaken wist Kimberley pas op haar zeventiende dat ze echt bij haar tante en oom mocht blijven. ‘Ik ben hier thuis en ik heb ook een goede klik met hun zoon en dochter.’

Toch voelde ze zich in het begin een beetje een buitenstaander in haar nieuwe huis. ‘Ik durfde bijvoorbeeld niet zelf drinken uit de koelkast te halen. Gelukkig veranderde dat snel. Ik wilde vooruit. Het had geen nut om in een hoekje te zitten huilen, ik moest mijn leven weer opbouwen. Dat zouden mijn ouders ook zo hebben gewild.’ Soms vindt Kimberley het moeilijk om uit te leggen dat ze bij haar tante en oom woont. ‘Mensen trekken gemakkelijk de conclusie: die is vast uit huis geknikkerd. Maar de meeste mensen denken dat oom Arthur en tante Jannie mijn ouders zijn. Het voelt ook als eigen.’

Haar tante en oom gaven Kimberley liefde en structuur in haar leven. ‘Van mijn broers kreeg ik weinig begeleiding en school had geen prioriteit. Als ik thuis wilde blijven, meldden zij me ziek. Als 13-jarige mocht ik zelf weten hoe laat ik thuis kwam. Vaak dwaalde ik ’s avonds laat over straat. Bij mijn tante en oom moest ik meedraaien in het gezin en me aan de huisregels houden. Om tien uur thuis is geen vijf over tien! Ze wilden altijd weten waar ik was en met wie. Mijn tante leerde me dat ik fouten mag maken en ze gaf me zelfvertrouwen.’ Tante Jannie zegt trots: ‘Zes jaar geleden was Kimberley een onzekere, ‘uit de pan geschoten’ tiener. Moet je zien wat ze nu heeft bereikt!’

Kimberley stapte van de havo over naar het vmbo en dat was een goede keuze. ‘Ik kreeg rust in mijn hoofd en ontdekte wat ik in de toekomst wil doen: festivals organiseren. Volgend jaar hoop ik het mbo-diploma Recreatie niveau 4 te halen en daarna ga ik Communicatie en International event studeren aan het hbo. Binnenkort vertrek ik vijf maanden naar Lanzarote om stage te lopen in het animatieteam van een hotel.’ Haar tante vindt het moeilijk om afscheid te nemen. ‘Kimberley is een van onze kinderen en ik zal haar enorm missen. We gaan vaak skypen!’ Kimberley: ‘Na mijn stage kom ik hier terug en kijk ik rustig of ik zelfstandig kan wonen. Ik weet dat ik altijd terecht kan bij tante Jannie en oom Arthur!’

hart

Grote zus én tweede moeder voor pleegbroertje en -zusjes

"We zijn geen groep, we zijn een groot gezin"

Rinneke (31) heeft twee broers en vier zusjes. Zo voelt dat, al is alleen de oudste haar biologische broer. “Een kind moet het gevoel hebben dat er iemand voor ze wil vechten. Die keuze hebben mijn ouders gemaakt – en ik ook. Als zij ooit niet meer voor ze kunnen zorgen, doe ik het.”

Rinneke was twaalf toen een vriendinnetje door omstandigheden het huis uit moest. “Mag ze bij ons komen wonen, vroeg ik aan mijn ouders. Ze was welkom.” Een gezellige tijd, herinnert ze zich. “Je vriendin die bij je in huis woont, wat wil je nog meer?

Soms vond ik het lastig om de aandacht van mama te delen; die beschouwde haar al snel als een eigen kind.” Het vriendinnetje ging na anderhalf jaar terug naar huis en een klasgenootje nam haar plaats in. “Toen ik hoorde dat zij uit huis geplaatst zou worden, was dat vanzelfsprekend. Je laat iemand toch niet aan zijn lot over? We trokken veel met elkaar op. Zaten op dezelfde school, hadden dezelfde vrienden, droegen elkaars kleren. En soms botste het. Ach ja, mijn eigen broertje heb ik ook wel eens vervloekt. Wat dat betreft is het niet anders.”

Ze horen bij ons

Zeven jaar later, Rinneke en haar broer zijn dan volwassen, stellen hun ouders het huis opnieuw open voor kinderen die om welke reden dan ook een veilige plek nodig hebben. Vaak heel jong, soms slecht enkele dagen oud. Maar liefst vijf van hen bleven ‘plakken’. Tot op de dag vandaag. Rinneke somt op: een broertje van inmiddels bijna acht en vier zusjes in de leeftijd van zeven tot zestien jaar. “Ik voelde me vanaf het begin hun grote zus en een beetje hun tweede moeder. Die vijf kids, ze hebben allemaal hun eigen karakter, maar we houden van allemaal evenveel. Ze horen bij ons. Ieder heeft z’n eigen kamer in huis, en deze zomer zijn we met z’n achten naar Spanje geweest. We hadden twee vierpersoonskamers: mijn oudste zusje en ik namen er twee onder onze hoede en de twee jongsten sliepen bij mijn ouders. We zijn geen groep, maar gewoon een groot gezin.”

Kleine mensjes

Rinnekes jongste pleegzusje heeft een verstandelijke beperking. “Zij zal altijd onze zorg nodig hebben. Als mijn ouders het ooit niet meer kunnen, zorg ik voor haar. Net als voor de anderen, mocht dat nodig zijn. Deze kinderen hebben veel meegemaakt, dat merk je, zo klein als ze zijn. Soms duurt het lang voordat ze zich weer durven hechten.” Het pleegouderschap, daar moet je 100% voor gaan, vindt Rinneke. “Natuurlijk is het niet altijd makkelijk. Niet voor het kind zelf en ook niet voor de pleegouders en de nieuwe broertjes en zusjes. Maar zijn ménsen, kleine mensjes weliswaar, geen objecten. Als het even niet lukt, kun je niet zeggen: ga maar terug naar de woongroep of naar een ander pleeggezin. Zij moeten het gevoel hebben dat er iemand voor ze wil vechten. Mijn ouders hebben die keuze gemaakt – en ik ook. Natuurlijk wil ik zelf ooit pleegkinderen. Hoeveel, dat weet ik nog niet, het ligt eraan of ik zelf kinderen heb en of mijn broertje en zusjes me nodig hebben.” Ze lacht: “Want hoeveel ik ook van ze hou, vijf vind ik best een beetje veel

hart

Het weekend/vakantie gezin biedt mij

"Lucht, ruimte en perspectief"

Ik krijg zo de ruimte om te herstellen (van ptss) en mijn netwerk weer te versterken en uit te bereiden. Zo ontstaat er voor mijzelf ruimte om plannen voor de toekomst te maken en om mij als mens weer volwaardiger te voelen en weer te leren ontspannen.

Ik wil mijn kinderen meegeven dat het belangrijk is om goed voor jezelf te zorgen en dat dit ook betekent dat ik als moeder soms iets voor mezelf doe. Mijn pleeggezin biedt ons als gezin extra stabiliteit, rust en meeleven. Het feit dat ze begaan zijn met mijn kind raakt me. Familie heb ik, maar zij zijn ver weg. En juist de eerste onvoorwaardelijke kring van liefde en aandacht is zo belangrijk voor een kind, én de ouder.

Het kost natuurlijk tijd die band op te bouwen, te laten groeien. Maar daarmee wordt mij wel iets ontzettend moois gegeven, wat niet in geld is uit te drukken. Ik ben ontzettend gelukkig en blij met iets wat voor anderen misschien vanzelfsprekend is, maar daarom niet minder waard; juist heel erg veel!

Bedankt lieve pleegouders.

Groetjes, Babette,
– Moeder van twee dochters en een zoon van 6 jaar die 1 weekend in de maand naar een weekend/vakantie gezin gaat. –

hart

Wil je ook pleegouder worden?

Klik hier voor meer informatie en vraag een informatiepakket aan.

Armoede

“Geen cent te makken, maar we voelden ons nog nooit zo rijk”

In Nederland leeft ruim een miljoen mensen op of onder de armoedegrens. Jacqueline van Gijzen en haar vier kinderen horen bij die grote groep. “Wekelijks tel ik de boterhammen precies af. Als een van de kinderen een vriendje meeneemt tijdens de lunch, heb ik een probleem.”

Huisje-boompje-feestje
Nog maar vijf jaar geleden was er geen wolkje aan de lucht voor Jacqueline. Ze leefde het gelukkige huisje-boompje-beestje-leven. Tot haar man en zij uit elkaar gingen en Jacqueline vlak daarna haar baan verloor. Ze rolde van genoeg te besteden in geen cent te makken.

Vandaag de dag wonen Jacqueline en haar kinderen dan ook in een klein rijtjeshuis. Ze bezitten alleen nog wat restanten van hun leven van voor de armoede. De hoekbank die met tape aan elkaar hangt, is wat dat betreft veelbetekenend. Op de vraag of Jacqueline zich arm voelt, antwoordt ze stellig: “Absoluut niet.”

Geld ruiken, maar meer ook niet
Jacqueline bevindt zich in een complexe situatie als het op haar vermogen aankomt: “Ik bezit een erfdeel van een pand van mijn ouders. Dat deel komt pas vrij als zij beiden zijn overleden. Daardoor ben ik op papier vermogend en vinden de instanties dat ik geen recht heb op een hoop toeslagen en tegemoetkomingen waar andere mensen in mijn financiële situatie wel recht op hebben. In de praktijk komt het erop neer dat ik ieder dubbeltje moet omdraaien.”

‘Aan mijn kinderen zie je het niet’
Het erfdeel waar Jacqueline recht op heeft, weegt allang niet meer op tegen de torenhoge schulden die ze heeft opgebouwd. “Als dat erfdeel ooit vrijkomt, zijn mijn schulden al vier keer zo hoog”, verzucht ze. Maar de alleenstaande moeder zit niet bij de pakken neer: “Aan mijn kinderen zul je nooit zien of merken dat ze iets te kort komen. Die lopen er altijd piekfijn bij. En ik maak er mijn persoonlijke missie van om ze dolgelukkig te houden. Daar put ik mijn geluk dan weer uit.”

Kedeng kedeng, ka-ching ka-ching
Bram is met zijn dertien jaar de oudste zoon van Jacqueline. Als hij tijdens het gesprek binnen komt wandelen, bevestigt hij de woorden van zijn moeder met een grijns van oor tot oor: “Ik kom helemaal niets te kort.” Bram volgt een opleiding in Breda en moet dus iedere dag op en neer met de trein vanuit Tilburg. Zo’n trein-abonnement kost bijna honderdvijftig euro per maand en is onbetaalbaar voor Jacqueline. “Maar dit is de studie die hij wil volgen en Bram heeft het ontzettend naar zijn zin op school, dus zorgen we dat het kan”, vertelt Jacqueline vastberaden.

Ik denk aan mijn krantenwijk …
Het bewijs dat je met een hoop doorzettingsvermogen een eind komt, wordt geleverd door moeder en zoon. “Op Brams naam lopen we dagelijks vier verschillende krantenwijken”, zegt Jacqueline. “Zo kunnen we het dure treinabonnement toch bekostigen. Mijn andere kinderen, van wie de jongste vier is, lopen vaak mee. Als we tijdens het bezorgen een speeltuintje tegenkomen, kunnen ze daar even lekker spelen. Alles wat we doen, doen we als een eenheid. Zo hecht als nu zijn we nog nooit geweest. Die onbreekbare band kun je niet kopen, die moet je samen verdienen.”

Van het kastje naar de muur
Ondanks het geluk dat ze met haar kinderen deelt, loopt Jacqueline tegen genoeg problemen aan. Zo heeft ze het gevoel dat ze al jaren van het kastje naar de muur wordt gestuurd, met name door de Belastingdienst. “Als ik ze bel om iets toe te lichten of als ik een regeling probeer te treffen, kom ik er niet door. Als Leonie met de Belastingdienst belt, worden er bergen verzet. Zij krijgt wél antwoorden los en kan betaalregelingen treffen.” Leonie is de ambulant hulpverlener van Sterk Huis die is gekoppeld aan Jacqueline. Laatstgenoemde concludeert: “Zo zie je maar wat een naam als Sterk Huis los kan maken.”

‘Ik wist niet dat Sterk Huis dit ook deed’
Jacqueline kwam in contact met Sterk Huis door een erg vervelende situatie. “Verder vertel ik daar liever niets over, omdat het een afgesloten hoofdstuk is en ik me volledig op de toekomst wil richten.” Tijdens de gesprekken die Jacqueline met Sterk Huis voerde, kwamen ook haar schulden ter sprake. “Daar werd toen meteen op doorgepakt door de hulpverlener. Erg fijn, want ik wist niet dat ik hiervoor ook bij Sterk Huis terechtkon.”

Creatief met centen
Het gebrek aan geld maakt Jacqueline creatief: “Ik moest een flinke drempel over om aan te kloppen bij de Voedselbank. Of om een beroep te doen op andere instanties die een steentje bij kunnen dragen. Uiteindelijk moest ik wel. Door de jaren heen leer ik steeds meer manieren om aan allerlei benodigdheden te komen. De Ruilwinkel is daar een goed voorbeeld van. Ik breng er spullen heen die ik niet meer gebruik en krijg in ruil daarvoor waardepunten. Van die punten koop ik weer spullen die andere mensen hebben afgestaan. Als mijn kinderen iets nodig hebben, kennen ze het antwoord al: op naar de Ruilwinkel!”

Geen eigen schuld, wel een dikke bult
Door haar verhaal te delen, hoopt Jacqueline een voorbeeld te zijn voor mensen in een soortgelijke situatie: “Armoede heeft een hoog eigen schuld, dikke bult-imago. Soms is dat inderdaad zo, maar veel vaker ook niet. In alle gevallen vind ik dat mensen geholpen moeten worden. Veroordelen kan iedereen, maar kijk ook eens naar het leed dat achter de armoede schuilgaat. Steek indien mogelijk een hand uit, want met z’n allen bereiken we net wat meer.”

hart

Stuur een bericht

Laat je gegevens achter en wij nemen je bericht in behandeling