Het begint met luisteren

Onlangs schoof ik aan bij Op1 om te praten over de jeugdzorg en de uithuisplaatsing van kinderen van de gedupeerden van de toeslagenaffaire. Een gesprek dat zich kenmerkte door frustratie, verdriet en radeloosheid bij ouders en vele kritische vragen van journalisten. En terecht, want hoe kan zoiets gebeuren? Hoe kan het dat we niet weten waar deze kinderen zijn? Bij het zoeken naar antwoorden, waren de ogen vooral op mij gericht. Logisch, als bestuurder van een jeugdzorginstelling zou ik toch meer moeten weten over deze kwestie en het lot van deze kinderen. Helaas niet. Maar jullie brengen toch ook advies uit aan de rechter over het uithuisplaatsen van kinderen? Nee. Bij Sterk Huis willen we juist voorkomen dat gezinnen en kinderen in een kinderbeschermingstraject terechtkomen. En als we samenwerken met jeugdbeschermingsorganisaties, worden onze adviezen niet standaard meegenomen.

Twijfel, onbegrip, verwarring en vooral grote behoefte aan antwoorden. Daar, aan tafel bij Op1, voelde ik de onmacht van ouders en de kritiek van de mensen in de studio en televisiekijkend Nederland. ‘’Het begint met luisteren’’, zei een moeder, die zich totaal niet gehoord voelde. Maar niet alleen de ouders, iedereen wil opheldering over de jeugdzorg. Waarom uithuisplaatsingen? Waarom gesloten instellingen? Waarom zoveel extra leed voor mensen die het toch al zo zwaar hebben? Daar, op die donderdagavond bij Op1, kon ik niets anders dan de problemen beamen en mijn hulp aanbieden aan de gezinnen die nu zo alleen staan. Mensen met veel wantrouwen richting de instanties. Mensen die zelfs niet meer om hulp durven te vragen uit angst voor nog meer tegenwerking. Een schrikbarende ontwikkeling.

Met het verlaten van de Op1studio, bleef mijn strijdlust voor verbetering. Daar, op die donderdagavond, wenste ik dat ik méér zendtijd had. Nederland moet weten hoe het zit: wat jeugdzorg precies betekent, wat er momenteel niet goed gaat en dus anders moet. Daar heb ik namelijk wél antwoorden op, en kennis van. Het moet anders in het belang van alle gezinnen en kinderen die ons nodig hebben.

De situatie rond de toeslagenaffaire heeft de bestaande problematiek scherper in beeld gebracht. Een opeenstapeling van stress en ellende – vaak door sociaaleconomische problematiek of eigen problemen bij ouders – vergroot de kans op een uithuisplaatsing. Maar een uithuisplaatsing is zelden zinnig. Er zijn echt andere oplossingen mogelijk. Daarom, als vorm van extra zendtijd en protest, dit verhaal. Om te zeggen wat gezegd moet worden en tot nu toe teveel onbesproken blijft.  Ik deel dit verhaal graag met u.

Wat is jeugdzorg?
Om verandering teweeg te brengen, is eerst duidelijkheid nodig. Momenteel worden er binnen de jeugdzorg dingen door elkaar gehaald. Ik wil daarom eerst het begrip jeugdzorg toelichten. Jeugdzorg is de verzamelnaam voor alle vrijwillige hulpverlening voor kinderen en gezinnen (bijvoorbeeld door Sterk Huis aangeboden) én alle verplichte hulpverlening. Bij verplichte hulpverlening heeft de Raad voor de Kinderbescherming bij de rechter gevraagd om een kinderbeschermingsmaatregel, zoals een ondertoezichtstelling. Het gezag ligt dan niet meer (alleen) bij de ouders, maar ook bij een jeugdbeschermingsorganisatie: dit noemen we een Gecertificeerde Instelling (GI).

Indien de Raad voor de Kinderbescherming of jeugdbeschermingsorganisatie het nodig vinden, vragen zij de rechter tevens om een uithuisplaatsing bij een open of gesloten jeugdzorgsetting. Als het momenteel in de media over jeugdzorg gaat, wordt meestal de verplichte hulpverlening  in een jeugdbeschermingscontext bedoeld, samenhangend met de vele negatieve berichten over uithuisplaatsingen en gesloten instellingen. Vaak krijgen wij vragen over de uithuisplaatsingen en gesloten settings, maar Sterk Huis is geen gesloten instantie. Wij zijn een open organisatie, gericht op vrijwillige hulpverlening. Wij zijn dus geenjeugdbeschermingsinstantie die bij de rechter een verzoek tot uithuisplaatsing doet, maar werken wel regelmatig samen met deze instanties voor hulpverlening aan kinderen met kinderbeschermingsmaatregelen.

We begrijpen het dilemma en verantwoordelijkheidsgevoel van jeugdbeschermingsorganisaties. Soms is het nodig om kinderen in extreem onveilige situaties tegen zichzelf en ook anderen te beschermen. Maar een slot op de deur van een kind doet meer kwaad dan goed. Daarom moeten we de gesloten jeugdzorg overbodig maken door kinderen met traumabesef (verstand van wat ze hebben meegemaakt) behandeling en begeleiding te bieden met de belangrijke mensen om zich heen (systemisch). Vanuit deze uitgangspunten kun je kinderen beschermen en begrenzen. Verder moeten we veel eerder aanwezig zijn in het leven van gezinnen en kinderen waar veel speelt, om te voorkomen dat kinderen later als jeugdzorgkind worden aangemeld.

Wat gaat niet goed?
Als we verandering in het geheel van jeugdzorg willen brengen en de stabiliteit van kinderen en gezinnen echt willen verbeteren, moeten we onder ogen durven zien wat er niet goed gaat in jeugdzorglandschap. Niet eromheen draaien, maar het eerlijk uitspreken naar elkaar. Voordat ik daarmee begin, wil ik eerst zeggen wat wél heel erg deugt binnen de jeugdzorg: er zijn heel veel mensen die zich met hart en ziel inzetten voor kinderen en gezinnen. De grote kritiek die veel mensen binnen de jeugdzorg krijgen, is zelden terecht. Ook alle hulpverleners verdienen de verandering die zo hard nodig is.

Verkeerde benadering
Dan wat niet goed gaat. Laat ik beginnen met het begrip jeugdzorg. Zullen we deze term afschaffen? Kinderen zijn zelden verantwoordelijk voor de problemen waarmee ze te maken hebben. Een kind dat ingewikkeld gedrag vertoont, komt meestal uit een ingewikkeld gezin. Dat geldt echt voor driekwart van de kinderen die nu jeugdzorg nodig heeft. Je kan een kind niet helpen als je niet oplost wat er in het gezin speelt. Denk aan psychiatrische en psychosociale problemen of verstandelijke beperkingen van ouders. Denk aan zeer complexe scheidingen, in combinatie met stoornissen van ouders. Denk ook aan een zwakke sociaaleconomische basis (armoede, laag opleidingsniveau, slechte huisvesting). Dit laatste zegt niet per se iets over de opvoedkwaliteiten, maar over de kwetsbaarheid van opvoeden in slechtere omstandigheden waar het kind de dupe van is. We moeten de term jeugdzorg daarom vervangen door jeugd– en gezinshulpverlening. Een kind wordt bijna nooit moeilijk geboren, dus verdient deze betere benadering.

Dweilen met de kraan open
We hebben met elkaar een ‘professionele wereld van hulp en ondersteuning’ gecreëerd die niet werkt. Er zijn foute elementen in het systeem geslopen. Dit heeft niemand zo bedoeld, maar het deugt niet. We hebben veel te weinig aandacht voor de voorspellende risicofactoren in een wijk, zoals sociaalmaatschappelijke factoren, psychische factoren en opleidingsniveau. We wachten tot problemen groot worden en dweilen dus met de kraan open. Er is geen integraliteit tussen wijkteams en gespecialiseerde hulp. We hebben een ‘maatschappij’ waarin we het niet gewoon vinden om je als mens medeverantwoordelijkheid te voelen voor de ellende van je buren of vrienden. We zijn niet concreet en direct tegen ouders die zelf problemen verergeren, de ellende zelf niet onder ogen zien en hulp buiten de deur houden. Voor complexe gezinsproblemen hebben we niet voldoende hulp voor het hele gezin. En kinderen betalen de rekening.

Kokers
Een ander moeilijk punt zijn de kokers die we gecreëerd hebben als het gaat om jeugdhulpverlening. De koker tussen de wijkteams en specialisten, de koker tussen de jeugdbescherming en jeugdhulpverlening en de koker tussen de open en gesloten jeugdzorg. De overgang van vrijwillige naar gedwongen hulp is vaak niet gestructureerd, onderbouwd, open en systemisch. Veel jeugdbeschermingsinstanties zijn – mede door de Nederlandse cultuur van beschuldigen en afrekenen – zo bang geworden om fouten te maken dat ze dikke procedures en muren om zich heen hebben gebouwd. Ze nemen de mening en relevante inhoudelijke kennis van anderen – bijvoorbeeld van ouders en hulpverleners – te weinig mee in het advies aan de rechter voor een uithuisplaatsing of verderstrekkende maatregel.

Jeugdbeschermingsorganisaties staan stevig onder druk. Er zijn veel verbeteringen mogelijk,  maar ze hebben ook een moeilijke opdracht. Aan het ‘einde’ van een traject – zonder complete analyse of als drukmiddel bij zeer moeilijke problematiek – maken we de jeugdbescherming verantwoordelijk. We mogen van jeugdbeschermingsorganisaties vragen dat ze besluiten onderbouwen en in samenwerking voorbereiden. Hun betrokkenheid moet verbetering opleveren. Zij zijn niet verantwoordelijk voor ellende in gezinnen.

Jeugdbeschermingsmaatregelen overschat
Ik durf overigens wel te zeggen dat er nog teveel jeugdbeschermingsmaatregelen worden uitgesproken. De kracht van een jeugdbeschermingsmaatregel wordt zwaar overschat. In een vrijwillig kader met ouders, kinderen, wijkteams, specialistische hulp en Veilig Thuis zijn betere antwoorden te vinden dan een jeugdbeschermingsmaatregel. Altijd werkend op basis van een verklarende analyse kan Veilig Thuis prima besluiten tot het al dan niet opschalen.

Een veiligheidsteam (bestaande uit de Raad voor de Kinderbescherming en jeugdbeschermingsorganisaties) moet pas ná die civiele bespreektafels aan de orde komen. Wanneer je die organisatie naar de voorkant brengt, blijven jeugdbeschermingsmaatregelen een mogelijkheid die dichtbij ligt. De kennis is welkom aan de civiele tafel, maar de organisatie niet. En voor de beperkte groep kinderen voor wie toch een jeugdbeschermingsmaatregel wordt overwogen, moet je de rechtsstatelijkheid en rechtsbescherming goed regelen.

We moeten de verantwoordelijkheid voor grote problemen bij gezinnen en kinderen met elkaar delen, waarbij de verklarende analyse (over het ontstaan, voortbestaan en de samenhang van problemen) kan helpen. Samen sta je sterker.  Deze problematiek is typisch ‘wicked’. Dat kan niemand alleen, want niemand doet alles goed. We moeten niet bang zijn om te praten en een open houding naar elkaar houden.

De gesloten jeugdzorg moet ook naar een volgende fase. De oplossing ligt niet in het toepassen van vrijheidsbeperkingen bij kinderen, maar in een intensieve samenwerking met het hele gezin in een open setting met de wijk en specialisten en ook tussen de open en gesloten hulpverlening. Veel kinderen zijn niet alleen slachtoffer van de verminderde kansen waarin ze opgroeien, maar ook van het denken en hulpverlening in kolommen. Er is nu geen eenheid, geen samenhang. De verschillende instanties werken allemaal in eigen silo’s en missen integraliteit in kijken, handelen en financieren.

Wat gaan we eraan doen?
Er zijn wel degelijk mogelijkheden om het anders te doen. De hoofdlijnen zijn helder en komen voort uit alle evaluaties van de Jeugdwet en de evaluaties van problemen die zich voordoen bij de jeugdbescherming, gesloten jeugdzorg en wachtlijsten. Wij moeten vooral, in het hele land,  jeugd- en gezinshulpverlening gaan doorontwikkelen op drie thema die in de praktijk de beste kansen geven. Dit betekent we heel veel van de huidige belangen, inzichten, persoonlijke overtuigingen, eigen visies en ego’s los moeten laten. Wat we nodig hebben in gedrag, is: heldhaftigheid, vastberadenheid en barmhartigheid.

Alle evaluatieonderzoeken leiden tot drie thema’s:

  1. In iedere wijk bestaat een stevige lokale basis. De hulp is op maat vanuit de bekende problematiek, samengesteld vanaf welzijn tot lichte ambulante hulpverlening en zonder indicatie direct inzetbaar. De teams zijn verbonden met onderwijs en huisartsen.
  2. Er is één toegang tot specialistische hulpverlening voor kinderen en gezinnen. Specialistische organisaties werken samen in een consortium. Zij accepteren alle verwijzingen van de lokale teams, werken samen met het lokale team en zijn onderdeel van een (boven) regionale infrastructuur. Alle kinderen en gezinnen worden zo dichtbij mogelijk geholpen.
  3. Een jeugdbeschermingstraject wordt pas ingezet na een civiel beraad, waarbij lokale teams, specialistische teams, ouders/kinderen en Veilig Thuis aanwezig zijn. Voordat een verwijzing naar de Raad voor de Kinderbescherming plaatsvindt, wordt een verklarende en systemische analyse gedaan. De Gecertificeerde Instelling kan niet autonoom beslissen. Iedereen wordt gehoord en de rechter neemt afwijkende meningen mee.

Uitgangspunt:
Het uitgangspunt is altijd dat kinderen thuis wonen, tenzij dit niet mogelijk is vanwege de veiligheid. Geen kind wordt ‘doorgeschoven’ tussen organisaties. Een uithuisplaatsing is immers zelden een oplossing. Bij grote onveiligheid zijn we open en eerlijk en werken we samen met gezinnen. Bij complexe problematiek krijgen gezinnen intensieve gezinsbegeleiding: systemische en maatschappelijke hulpverlening met hulp van familie, buurt en school. Bij gezinshulpverlening bestaat een goede verbinding tussen jeugdzorg en de volwassen GGZ en Wmo. Gezinnen krijgen langdurig een schil van hulp om zich heen, zodat kinderen thuis kunnen blijven wonen en een terugval wordt voorkomen. In de begeleiding is erkenning voor trauma-, hechtings-, generatie- en sociaaleconomische problematiek. Bij gezinsproblematiek wordt altijd goed naar de gezinnen geluisterd: zij zijn de expert van hun leven. Het kind staat centraal. Ouders worden met respect maar duidelijk aangesproken op hun eigen verantwoordelijkheden.

Hartenkreet
Terug naar Op1, waar zoals gezegd een moeder aangaf: Het begint met luisteren. ‘Ze’ hebben geen stap bij mij binnengezet, geen gesprek met mij gevoerd. Hoewel ik denk dat dit wel geprobeerd is, begrijp ik deze frustratie volkomen, vooral als je in alle stress niet goed begrijpt waarom je kind weg is en je met veel vragen achterblijft. Als deze verdrietige situaties íéts moeten opleveren, dan is het wel dat we gezinnen met stress en ellende echt veel eerder moeten helpen: Ik zie dat het niet goed met jullie gaat, wat kunnen we doen? We moeten terug naar de menselijkheid, naar het gesprek, naar het eerlijk bespreken van problemen.

Beslis niet voor ouders, maar zoek de expert in de gezinnen zelf. Zij weten vaak het beste wat ze nodig hebben en waar de sleutel tot de oplossing ligt. Het moet ook altijd om maatwerk gaan. Er kunnen  geen standaarden in ontstaan, want ieder gezin is uniek en heeft daarom ook unieke hulpverlening nodig. Als je samen naar de juiste oplossingen zoekt – in de vorm van shared decision making – ontstaat er meer verbinding en is de kans van slagen veel groter. Zo krijgen ouders niet alleen vertrouwen in zichzelf als opvoeder terug, maar ook in de instanties.’

Hulpverlening moet iets heel gewoons, toegankelijks en betrouwbaars zijn. Juist een goed samenspel tussen gezinnen en hulpverleners is zo belangrijk om schrijnende situaties in de toekomst te voorkomen. Als overheid en hulpverleners moeten we bescheiden zijn, afstemmen en aanspreken. Verlies elkaar niet uit het oog, maar blijf dichtbij, maak écht contact. Luister om te begrijpen, niet om te antwoorden. Luister om te veranderen, om te helpen, om (erger) te voorkomen. Luister om het goede te doen.

Lian Smits, met dank aan Ilona Brekelmans

Goirle, juni 2022