TILBURG – Helemaal alleen maakten ze een vaak gevaarlijke en soms traumatische reis die eindigde in Nederland: alleenstaande minderjarige vreemdelingen. Hoe ziet het leven eruit van jongeren die hun weg zoeken in een vreemd land?
Grote schalen met allerlei hapjes worden op tafel gezet. Abel heeft mandi gemaakt, een gerecht uit Eritrea. Daarnaast zijn er aardappels, een Syrisch vleesgerecht en brood. Karim uit Syrië woont sinds een paar maanden op zichzelf, maar schuift nog regelmatig aan. „Ik mis de jongens wel, ja.” Zijn droom is om verpleegkundige te worden: „Ik houd van zorgen voor mensen.”
Alleenstaande minderjarige vreemdelingen (AMV’s) krijgen bij aankomst in Nederland een voogd toegewezen via voogdijinstelling Nidos. Jongeren onder de 15 jaar of bijzonder kwetsbare kinderen verblijven bij gastgezinnen, terwijl oudere kinderen meestal in opvanglocaties van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) worden geplaatst. Kinderen van wie de asielaanvraag is afgewezen, hebben recht op opvang tot hun achttiende verjaardag.
Net een gezin
Hier in Tilburg-Noord wonen twaalf jongeren met een verblijfsvergunning, verdeeld over drie panden. Elke dag van 09.00 tot 22.30 uur zijn er begeleiders aanwezig; vandaag zijn dat Michaja, Doenya en Bob. In noodgevallen kunnen de bewoners ’s nachts bellen.
Deze groep doet denken aan een gewoon gezin. „Als ik zie hoe het onderling gaat, vind ik het echt bijzonder”, vertelt Michaja. „De jongens zitten tussen mensen die hun taal niet spreken, die een andere cultuur hebben. En toch hebben ze bijna nooit ruzie.”
Dus opvoeden is niet nodig? Doenya: „Ik communiceer heel duidelijk. Ik doe mijn best met ze mee te denken, maar ik verwacht ook iets. De jongens vinden me soms streng.” Michaja: „We investeren veel in het opbouwen van een goede relatie, maar stellen ook grenzen.
”Michaja: „Met iedere jongere stellen we persoonlijke leerdoelen op, zoals het gezonder krijgen van het dag-nachtritme. Een doel kan ook zijn leren koken of zelfstandig afspraken maken met een dokter.”
Van cultuurverschillen merken de begeleiders niet veel: „Het is vaak een kwestie van hoe je dingen bekijkt. Als de jongens een vriendinnetje hebben, nemen ze haar niet altijd mee naar de groep, omdat daar andere jongens zijn. Nederlanders zien dat als bezitterig, maar de meisjes vinden het juist respectvol. De jongens willen hun vriendin beschermen.”
Imagoprobleem
Het imago van alleenstaande minderjarige vreemdelingen is niet best. In de media lees je regelmatig over jongeren die rellen of iets strafbaars doen. Maandag spraken gemeenten hun zorg uit over Syrische amv’ers, die geronseld zouden worden door criminelen.
Uit onderzoek van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Data Centrum, onderdeel van het ministerie van Justitie en Veiligheid, blijkt dat amv’ers inderdaad een verhoogd risico lopen op betrokkenheid bij incidenten; deels omdat die sneller gemeld worden vanwege het strenge toezicht, maar ook culturele achtergrond, opvoeding en trauma’s spelen een rol. Toch benadrukt het rapport dat de meeste jongeren niet betrokken zijn bij overlast of misdrijven.
Druk van de familie
Na het eten stuiven de jongens naar het pleintje achter het huis om te gaan voetballen. Khalid (19) is aangekomen om een balletje mee te trappen. Ook hij komt uit Syrië, net als bijna de helft van de 3974 AMV’ers in Nederlandse opvangcentra – op een totaal van 72.387 personen die momenteel in Nederlandse opvang centra zitten. Eritrea en Irak staan op de tweede en derde plaats bij de AMV’ers.
Khalid vertelt hoe erg hij zijn familie mist, die al drie jaar in onzekerheid verkeert over hun komst naar Nederland. Zijn ouders en de andere kinderen zijn ook gevlucht en zitten nu in Turkije. De meeste jongeren willen hun familie laten overkomen en hebben daarom gezinshereniging aangevraagd; een traject dat vaak jaren duurt.
„Het is niet eerlijk, andere jongens wachten veel korter. Mijn familie legt druk op me, maar ik kan niet meer doen. Ik moet ook studeren, de taal leren.” Neemt hij weleens niet op als ze bellen? „Natuurlijk niet. Mijn ouders hebben mij opgevoed, gemaakt tot wie ik ben. Dat vergeet ik nooit. Ik zorg voor ze zoals ze voor mij gezorgd hebben.”
Khalid vindt Nederlanders heel behulpzaam. „Maar Geert Wilders wil ons hier niet. We komen niet hier om crimineel te worden. Ik kom om te werken. Ik heb doelen.” Haran (19), grote felgroene ogen en zwarte krullen, is wat bedeesd, maar weet heel goed wat hij wil: „Ik wil profvoetballer worden. Maar als dat niet lukt, word ik chef-kok. Ik kan heel goed koken.”
Deze woning is een heel andere setting dan het asielzoekerscentrum, waardoor jongeren meer rust ervaren, volgens Michaja. „We gunnen ze in het begin de tijd om te wennen. Na een paar maanden beginnen we hen klaar te stomen voor gezinshereniging of samenwonen met zelfstandigheid.”
Band opbouwen
Het is de bedoeling dat de jongeren vanaf hun achttiende op zichzelf gaan wonen, maar als het nodig is mogen ze tot hun 21ste blijven. Als het zo ver is, kunnen ze te maken krijgen met ambulant begeleider Maria (36). Zij ondersteunt jonge migranten van 18 jaar en ouder in hun dagelijks leven. „Het is belangrijk om betrouwbaar te zijn door afspraken na te komen en te doen wat je zegt.”
„Wij leren ze praktische dingen. Vaak weten ze niet of een brief belangrijk is. Sommigen sturen ons alles door, inclusief reclamefolders. Wij kijken mee: is alles goed geregeld? Heb je een zorgverzekering? Begrijp je wat eigen risico is, waarom je premie betaalt? Het is belangrijk dat ze dit goed begrijpen; herhaling is belangrijk. Je moet geduld hebben.”
Er zijn veel organisaties waar mensen kunnen aankloppen, maar jongeren begrijpen vaak niet hoe het werkt, vertelt Maria. „Soms hebben ze twee uur gewacht bij een instantie, maar worden ze weggestuurd omdat ze een document missen. Jongeren mogen ons alles vragen en voelen dat we tijd voor ze hebben. Uiteindelijk is ons doel dat wij niet meer nodig zijn.”
Wat jongeren onderweg meemaken
Maria’s werk draait om meer dan praktische hulp. „Veel van deze jongeren hebben onderweg dingen meegemaakt die je je bijna niet kunt voorstellen. Sommigen hebben duizenden kilometers afgelegd, zijn door landen gereisd waar ze niet veilig waren en hebben op gammele boten de oversteek gemaakt. Ze kregen te maken met mensen die doodgingen, geweld en verkrachting. Een meisje moest haar broer achterlaten in de Sahara; hij stierf voor haar ogen.”
De een reageert hier anders op dan de ander, vertelt Maria. „Sommigen zitten in een overlevingsmodus. Ze hebben een sprong moeten maken en ontwikkelingsfasen overgeslagen. ‘Wie ben ik? Wat wil ik in mijn leven?’ Die vragen komen veel later dan bij jongeren die in Nederland opgroeien.’’
Psychische klachten
„Psychologische hulp krijgen is voor deze doelgroep lastig. De wachttijden zijn lang en de taal vormt een grote barrière. Ik zie soms dat een jongere na maanden wachten wordt geweigerd vanwege de taal. Zelfs als ze zeggen: wij werken intercultureel. Maar dan blijken ze alleen Turks, Arabisch of Pools te spreken. Jongeren mogen geen tolk meenemen, omdat dat als belemmerend wordt gezien voor de therapie.”
Daarnaast heerst er vaak een taboe op het zoeken van psychologische hulp. „Jongeren vragen liever om een medicijn. Wat wij proberen is op een andere manier het gesprek aan te gaan, met Duplo-poppetjes bijvoorbeeld. Ik merk dat dit vaak effectiever is, zeker omdat wij al een band met ze hebben opgebouwd.”
Homoseksualiteit
„Ik heb weleens jongeren gehad die zeggen: Ik geef een vrouw geen hand”, vertelt Maria. „Ik respecteer dat. Wel leg ik dingen uit over Nederland, bijvoorbeeld over homoseksualiteit. Zij zijn totaal anders opgegroeid. Daar kun je niet over oordelen. Iedereen is geboren in zijn eigen koker, en ziet dat wat hij of zij geleerd heeft als normaal.”
Soms worstelt iemand met zijn homoseksualiteit, terwijl dat in het land van herkomst verboden is. „Je kunt dan niet zeggen: je ouders moeten het maar accepteren”, zegt Maria. „Ik gun iemand dat hij zichzelf kan zijn, maar dat kan heel moeilijk zijn als je bang bent voor verstoting. Ik ben vooral een luisterend oor.”
‘Op een dag gaat het beter’
Maria benadrukt hoe belangrijk het is om jongeren te zien, goed te luisteren en samen met hen te kijken wat ze nodig hebben. „Er komt zoveel op hun pad en ze hebben al zoveel meegemaakt. Ik zeg altijd: Uiteindelijk komt er een moment dat het beter gaat en je je weer thuis voelt.”
Het raakt haar zichtbaar: „De onzekerheid in een nieuw land, het zoeken naar je eigen weg, het zonder familie zijn, dat is zo’n moeilijk proces voor een jong mens.”
Nazorg is belangrijk voor Maria. „Ik zeg altijd: als er iets is, mag je me bellen. Ik wil de jongeren niet het gevoel geven dat ik ze enkel in mijn vizier heb wanneer ik hun contactpersoon ben of aan het werk ben. Sommigen spreek je nooit meer. Bij anderen blijf je een vertrouwenspersoon, met wie ze bij life events even hun zorg kunnen delen.”
„Ik baken mijn werk niet af. Ik had eens een meisje dat zwanger was. Ik was erbij toen de bevalling begon. Toen de situatie kritiek werd, durfde haar vriend niet mee naar de operatiekamer. De spanning werd hem teveel en hij bevroor als het ware. Toen ben ik met haar mee gegaan, ze kreeg een spoedkeizersnede. Dat moment zal ik nooit vergeten.”
Uitstapje naar de Efteling
Op verjaardagsfeestjes vertelt Maria soms bewust niet met welke groep ze werkt. „ Hoe mensen nu over vluchtelingen praten, daar kan ik eigenlijk niet naar luisteren. Ik heb geen zin in gesprekken over ‘vluchtelingen krijgen huizen en gaan gratis naar de Efteling’. Mensen beseffen niet wat voor leven zij hebben gehad. Ik zou weleens willen zeggen: wil je met ze ruilen?”
Die negatieve houding werkt ook averechts volgens Maria: „Als jongeren keer op keer worden afgewezen leren ze niet, worden ze geen onderdeel van de maatschappij en wordt de kans op criminaliteit groter.”
De grootste uitdaging vindt Maria de samenwerking met andere instellingen en overheden. „Ik vind het moeilijk om steeds uit te moeten leggen waarom deze jongeren zo’n specifieke aanpak nodig hebben. Deze doelgroep heeft niet alleen praktische begeleiding nodig. Er moeten echt stappen worden gezet om ze te helpen integreren én ze vertrouwen te geven.”
Contact met de buurt
Saleh (19) uit Jemen komt toevallig net terug van een schooluitstapje naar de Efteling. Enthousiast vertelt hij: „Het was zo leuk, we hebben samen grapjes gemaakt en veel gelachen.”
Hiervoor woonde hij in een dorp; in Biezenmortel, in een nieuwe woonvorm voor AMV’ers, waar meer rust heerst dan in een azc. Begeleidster Maaike vertelt: „Ook in Biezenmortel was er onrust over de komst van deze groep jongeren. Maar het team heeft geïnvesteerd in contact met de buurt, en de jongeren aangemoedigd zich in te zetten voor klusjes. Zo leerden ze elkaar kennen.”
Saleh: „Ik mis Biezenmortel. Mensen in een dorp vind ik leuker dan in een stad. Ze discrimineren niet.” In Tilburg heeft hij een buurman die dat wel doet: „Ik kwam een keer vragen of ik iets mocht lenen. Toen zei hij ‘Ik kan je niet helpen’ en sloeg direct de deur dicht. Dat vind ik jammer.” Saleh ontvluchtte Jemen op 16-jarige leeftijd. Hij vertelt over zijn lange voetreis via Rusland, waarbij hij in gevaarlijke situaties kwam en achtervolgd werd door de politie: „Je kunt alleen jezelf vertrouwen, niemand anders.” Onderweg zag hij mensen doodgaan: „We moesten doorlopen: als je stopt, is het je einde.”
Man in vrouwenkleren
Hij gaat binnenkort een inburgeringstraject volgen, zodat hij daarna naar de universiteit kan om IT te studeren. Hij merkt cultuurverschillen: „Bij ons vraag je altijd toestemming aan je vader, zelfs als je 20 of 25 bent. Hier nemen jongeren zelf beslissingen.” Ook vertelt hij over de eerste keer dat hij een man zag in vrouwenkleren: „Ik begreep er niets van en riep ‘Waarom doe je dat nou?’ Maar nu ben ik eraan gewend.” Hij lacht: „Ik ben zo benieuwd hoe mijn vader reageert als hij zulke dingen ziet. Ik heb veel zin om hem de Nederlandse cultuur te laten zien. Als hij hier straks komt, zijn de rollen omgedraaid: dan is hij het kind en ik de vader.” Saleh mist zijn vader, moeder, broers en zusje enorm. Het gezin zit nog in Jemen en wacht al drie jaar op hereniging: „Mijn familie vraagt vaak waarom het zo lang duurt. Het geeft me stress, maar ik blijf hopen. Als mijn vader hier komt, wil ik hem leren fietsen.”